Maria van Eik en Duinen
Het Rooms Katholiek koor Deo Sacrum van de parochie van Maria van Eik en Duinen te Den Haag is sinds 1963 een gemengd koor. Daarvoor bestond het koor alleen uit heren. Waarschijnlijk bestaat het koor sinds de wijding van de kerk in 1882, maar helemaal zeker is dat niet. Sinds 2004 is André Vis werkzaam als organist-dirigent van de parochie van Maria van Eik en Duinen. Oorspronkelijk was Deo Sacrum een herenkoor dat wekelijks op zondagochtend de hoogmis opluisterde met gregoriaanse gezangen en Latijnse missen. In 1963 werd het dameskoor opgericht. Al gauw gingen de beide koren “gemengd” zingen. Zo ontstond het gemengd koor Deo Sacrum. Het koor ondersteunt tijdens de vieringen de samenzang en zingt missen en motetten. Eens per maand zingt het herenkoor gregoriaans. Momenteel wordt er gewerkt aan het Stabat Mater van Joseph Rheinberger.
Stabat Mater
Stabat mater dolorosa zijn de beginwoorden van een gedicht over Maria die lijdt om haar gekruisigde Zoon. Onduidelijk is wie de auteur is van het Stabat Mater is geweest. Het vermoeden bestaat dat de oudste versie in de dertiende eeuw in Frankrijk of Italië is ontstaan. Lange tijd werd het toegeschreven aan de franciscaan Jacopone da Todi (circa 1230-1306), maar ook paus Innocentius III en Johannes Bonaventura werden genoemd als mogelijke auteurs.
De dichter van het Stabat Mater heeft twee bijbelse gebeurtenissen als uitgangspunt van zijn gedicht genomen: Jezus kruisdood en de voorspelling van Maria’s smart. In het Johannes evangelie (19, 25) wordt verhaald over Maria die onder het kruis stond toen Jezus werd gekruisigd. In het Evangelie van Lucas (2, 35) vinden we het verhaal van de ziener Simeon, die, toen hij in de Tempel van Jeruzalem het pasgeboren Jezus zag, een voorspelling deed: ‘Deze jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn – ook door uw [Maria’s] ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in veler harten omgaat.’
Waarschijnlijk was de tekst van het Stabat Mater oorspronkelijk bedoeld voor persoonlijke meditatie, gewijd aan het lijden van Christus en het verdriet van Maria hierover. Ook heeft het gediend als processiegezang bij boetetocht en kruisweg. In het Missale Romanum van 1570 werd het als tussenzang opgenomen in de dodenmis en op de vrijdag na passiezondag. Tot 1969 viel de passiezondag op de één-na-laatste zondag voor Pasen en dus op de zondag vóór palmzondag. Er was sprake van een passie- of lijdenstijd die de laatste twee weken van de veertigdagentijd besloeg. In die periode richtte de Kerk zich volledig op het lijden en de dood van Jezus. Sinds het nieuwe Calendarium van 1969 valt de passietijd echter samen met de goede week. Passiezondag en palmzondag vallen dientengevolge op één en dezelfde dag, de zondag voorafgaand aan Pasen. Sinds 1727 behoort de sequentie tot de Rooms-katholieke misgezangen van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten (15 september). In aanvulling hierop werd de hymne ook nog verdeeld over de vespers, metten en lauden van deze gedenkdag.
Onze-Lieve-Vrouw van Smarten
Op Onze-Lieve-Vrouw van Smarten, gedenkt de Rooms-katholieke kerk de zeven smarten van Maria:
De profetie van Simeon in de Tempel bij het opdragen van Jezus
De vlucht naar Egypte
Het zoek raken van Jezus in de Tempel
Ontmoeting van Maria met Jezus op weg naar de Calvarieberg
Maria staat onder Jezus’ kruis
Maria omhelst Jezus’ dode lichaam na de kruisafname
Jezus wordt begraven
De zeven smarten vormen voor veel katholieken een populaire vorm van devotie. De gebeden bestaan uit meditaties op de zeven smarten. Voorbeelden hiervan zijn de rozenkrans en het rozenhoedje van de zeven smarten van Maria.
In de iconografie wordt Onze-Lieve-Vrouw van zeven Smarten afgebeeld als een vrouw van wie het hart doorstoken is met zeven zwaarden. In Vlaanderen is ze ook bekend als Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën; in Spanje als Maria Santissima Dolorosa.
Rheinberger
Het Stabat Mater heeft mede door zijn dramatische lading vele componisten geïnspireerd tot prachtige composities. Voorbeelden hiervan zijn Palestrina, Pergolesi, Haydn, Rossini en Dvorak. Maar ook Joseph Gabriel Rheinberger heeft deze tekst getoonzet.
Joseph Gabriel Rheinberger (1839-1901) speelde zijn eerste missen al op 7-jarige leeftijd. Op zijn twaalfde begon hij met studeren aan het conservatorium van München. In 1859 publiceerde hij eindelijk na meer dan honderd werken gecomponeerd te hebben, zijn opus 1. Na zijn studie bleef hij op het conservatorium, maar nu als docent. Hij groeide uit tot één van de meest geprezen leraren, die volgens de critici van zijn tijd zijn gelijke niet kende.
In 1877 werd Rheinberger benoemd tot Hofkapellmeister door Ludwig de Tweede van Beieren, die hem de verantwoordelijkheid gaf over de muziek in de Koninklijke kapel. Eén van de eerste werken die hij daar componeerde was zijn geweldige Mis in Es op. 109 voor dubbelkoor, die hij opdroeg aan Paus Leo XII.
Het “kleine” Stabat Mater opus 138 vindt zijn oorsprong in Rheinbergers over het algemeen slechte gezondheid. Vele jaren had hij te kampen met problemen aan zijn rechterhand, waardoor het musiceren en componeren vrijwel onmogelijk was. In de eerste helft van 1884 had hij zelfs te kampen met een open zweer aan zijn hand, waarvoor hij in de zomer therapie kreeg in Wildbad Kreuth. Hier verminderde de pijn aanzienlijk. Later zou hij aan zijn vrouw vertellen dat hij de maagd Maria de plechtige belofte had gedaan dat als zijn gezondheid zou verbeteren hij een Stabat Mater zou componeren.
In tegenstelling tot zijn eerste Stabat Mater dat hij twintig jaar eerder componeerde kenmerkt dit werk zich door een sterke naarbinnengekeerdheid en een beperkt gebruik van voor die tijd moderne harmonieën. Op die manier creëerde hij een bijna tijdloze sacrale stijl, dat het algemene kenmerk zou worden van al zijn latere religieuze werken.
Het werk valt uiteen in 4 delen. De eerste drie delen zijn volledig homofoon. Pas in het vierde deel zien we de eerste voorzichtige polyfonie verschijnen. Hier wordt uitdrukking gegeven aan het woord kruis (laat het kruis mij beschermen). Zowel het eerste als het derde deel zijn gecomponeerd in een driedelige maatsoort. Het tweede en vierde deel beginnen beide met een vierkwartsmaat. De compositie heeft dus een kruisvormig grondplan. Het vierde deel eindigt met een korte maar imponerende fuga op de tekst “Quando corpus morietur, fac, ut animae donetur Paradisi gloria”.
Deze Stabat Mater-compositie is dus duidelijk bedoeld voor een liturgische setting. Het trekt niet de aandacht door zijn excessieve lengte of opvallende decoratieve elementen. In plaats daarvan is het een werk dat is ontdaan van alle opsmuk en zich kenmerkt door eenvoud en een effectief gebruik van vorm en stijl, dat juist in zijn beperkingen uitdrukking geeft aan Rheinbergers geloof.

Orgel Onze-lieve-vrouw Hemelvaart Kerk
Orgel
In 1903 bouwde de firma Maarschalkerweerd een nieuw orgel voor de kerk in Loosduinen. Voor die tijd was waarschijnlijk een orgel in gebruik dat was meegenomen uit de oude kerk. Het orgel werd aan de jubilerende pastoor P.A. de Bruijn aangeboden door de parochianen. Het instrument had toen een pneumatisch tractuur. Het orgel werd ingespeeld door A. Giessen in februari 1903. In 1917 werd een elektrische windmachine geplaatst. In de zestiger jaren wordt op verzoek van de toenmalige organist de dispositie gewijzigd tijdens een algehele restauratie. Gelukkig is van het hoofdwerk nog en groot deel van het oorspronkelijke pijpwerk bewaard gebleven, evenals op het pedaal. In 1986 wordt het instrument verplaatst naar het zuidelijk transept van de kerk door de orgelbouwer P.C. Bik uit Leiden. Het orgel krijgt een nieuwe kas, maar het originele front wordt teruggeplaatst. Er kwam een nieuwe windvoorziening en de dispositie bleef ongewijzigd. Sinds 2008 wordt het orgel onderhouden door de firma Adema te Lisse. De dispositie luidt momenteel:
| Manuaal I Bourdon 16′ Prestant 8′ Roerfluit 8′ Prestant 4′ Fluit 4′ Kwint 2 2/3′ Octaaf 2′ Mixtuur IV-VI Trompet 8 |
Manuaal II Holpijp 8′ Prestant 4′ Fluit 4′ Woudfluit 2′ Sesquialter II Dulciaan 8′ |
Pedaal Subbas 16′ Octaafbas 8′ Gedekt 8′ Fluit 4′ |

Onze-lieve-vrouw Hemelvaart Kerk
Onze-lieve-vrouw Hemelvaart Kerk
De Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk is de kerk parochie van “Maria van Eik en Duinen” te Den Haag. Al in de 12de eeuw woonden er katholieke tuinders in Loosduinen, maar pas in 1785 kregen zij hun eigen kerkje. De eerste pastoor was Bernardus Ocke. Dit oude kerkje lag tegenover de huidige OLV-Hemelvaartkerk. De OLV-Hemelvaartkerk werd in 1881 gebouwd naar ontwerp van Evert Margry, een leerling van Pierre Cuypers. De bouw duurde achttien maanden. Het is een driebeukige, neogotische kruisbasiliek. De hoofdbeuken worden overdekt door houten tongewelven op schenkels, die in neogotische stijl rijkelijk zijn beschilderd door J. Dunselman. In de zijbeuken bevinden zich de kruiswegstaties,die ook geschilderd zijn door Dunselman. In het middenschip en het transept hangen zes grote en twee kleine lichtkronen in neogotische stijl, afkomstig uit de in 1981 afgebroken kerk van de vroegere parochie van de Heilige Engelbewaarders aan de Brandtstraat.
